TERUG IN DE TIJD

IN 1898 BEGON GEORG LATTEIER EEN KLEINE DRANKENHANDEL IN HET DUITSE DIETENHOFEN.

In 1924 ontdekte hij op een expositie Sekt-Bronte, een alcoholvrij drankje op basis van maté-thee en diverse andere ingrediënten. Maté-thee komt oorspronkelijk uit Zuid-Amerika, waar de indianen al vroeg de werking van maté-blaadjes ontdekten. Hij kocht de licentie om dit drankje in Duitsland te mogen produceren en verkopen.
Het maken van Sekt-Bronte op zich was niet moeilijk, maar het bottelen was een probleem. Omdat het drankje flink schuimde, was het in het begin lastig om de flessen volledig te vullen. Na veel uitproberen werd dit probleem opgelost.


Tegelijkertijd nam de populariteit van het drankje toe, want “het had de volle smaak van wijn, het zou stimulerend zijn en goed voor de gezondheid”. Bovendien zou het goed zijn tegen nierziekten.
De firma Latteier leverde de drankjes aan horecagelegenheden in Dietenhofen en de nabije omgeving. Hoewel Bronte niet bij iedereen in de smaak viel, was het bij anderen zo populair, dat het met kratten tegelijk bij het bedrijf werd gekocht.


Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam de productie van Bronte tot stilstand. Na de oorlog was Bronte echter nog onverminderd populair en al snel werd de productie weer opgestart.


In 1957 kwam Hans Sauernheimer na zijn huwelijk met de dochter des huizes in de zaak. Dankzij de grote persoonlijke inzet van Hans en zijn vrouw kwam het bedrijf tot grote bloei. Ze schaften een volautomatische bottelmachine en een kroonkurkmachine aan. De verkoop werd uitgebreid en klanten werden ook 's avonds en op zondag bevoorraad. Mensen kwamen uit Ulm, Aschaffenburg en Hamburg om het drankje te kopen, waardoor het ook in Noord- en Zuid-Duitsland bekend werd.

Club-Mate: spritzig und alkoholfrei

In 1994 verkocht Hans Sauernheimer wegens zijn hoge leeftijd de licentie voor het produceren van Bronte aan brouwerij Loscher in Münchsteinach.
Deze doopte het drankje om in Club-Mate – en onder deze naam is het populaire drankje dus nog steeds op de markt!
 

 

Maté is Indiaans voor kalebas. De thee wordt echter niet van kalebasbladeren gemaakt, maar van de bladeren van de steekpalm. Daarvan bestaan in Amerika ongeveer 15 verschillende soorten. In de traditionele indiaanse geneeskunst worden de bladeren gebruikt bij de behandeling van jicht, koorts en geelzucht.


De gedroogde bladeren worden tot poeder vermalen en in een uitgeholde kalebas (maté) gedaan. Vervolgens wordt er heet water op gegoten. Aan de onderkant van de kalebas hangt een rietje met een zeef, waardoor je de maté-thee drinkt. Maté-thee bevat 0,3 tot 1,5% cafeïne.


De Spanjaarden die het land langs de Rio de la Plata in 1536 veroverden, namen het drinken van maté over van de inheemse bevolking. In 1610 legden Jezuïeten de eerste maté-plantages aan. Aan het einde van de 18e eeuw kwam maté-thee als jezuïetenthee naar Noord-Amerika en Europa. Tegenwoordig wordt maté vooral in Argentinië veel gedronken. In Europa was het drankje rond 1930 bijzonder populair.


De Indianenstammen uit Noord-Amerika noemen hun aftreksel van de steekpalmbladeren 'youpon' of 'black drink'. De Duitse immigrantengemeenschap rond de Rio de la Bibert gaf de thee de naam 'bronte'.